Het levende woord

Sint Jan Gouda, 8 april 2016

Uitgesproken bij de opening van de bijbeltentoonstelling
‘Het Woord Verbeeld. De Bijbel in glas en prent’
 

glasprent-expo-1080x675

In de komende maanden vormt de Sint Jan het decor van een expositie over prentbijbels. Het is een unieke combinatie: bijbelse prenten die geheel omringd worden door de Goudse Glazen.

De aanleiding voor de tentoonstelling ligt in de verschijning van de eerste gedrukte versie van het Nieuwe Testament met Latijnse en Griekse tekst, geredigeerd door Erasmus. Dat Erasmus als humanist, dat wil zeggen als taalgeleerde, zich hierop heeft toegelegd, is van grote betekenis geweest. Zijn Novum Instrumentum speelde namelijk een belangrijke rol in de vroege Reformatie. De beweging in de kerk die terug wilde naar de bron, terug naar de Schriften.

Erasmus bepleitte de toegankelijkheid van de Bijbel voor geleerde én leek. Hij stond daarmee kritisch ten opzichte van het gangbare kerkelijke standpunt dat de Bijbel alleen in de taal van de geleerden, het Latijn, beschikbaar moest blijven. Zo schrijft hij ergens:

‘Bekrompen geestelijken beweren dat er iets ongeoorloofds geschiedt, wanneer een vrouw of een schoenmaker over de Heilige Schrift spreekt. Maar ik hoor liever meisjes en vrouwen van Christus spreken dan geleerden. Let eens op degenen, die Christus zelf onder zijn gehoor heeft gehad. Was het niet het gewone volk? En waren er onder hen geen blinden, kreupelen, bedelaars, tollenaars, soldaten, hoofdmannen, arbeiders, vrouwen en kinderen? Of wil Christus dan, dat Hij niet gelezen wordt door dezelfde mensen, die Hij wel onder zijn gehoor wilde hebben? Als het aan mij lag, dan zouden de boer, de smid, de metselaar, ja zelfs de publieke vrouwen en ook de Turken de Schrift lezen’.

Dat de door Erasmus uitgegeven Griekse tekst de basis vormde van gezaghebbende vertalingen in de volkstalen, zoals de Lutherbijbel, de King James Version en de Statenvertaling zou hem dan ook deugd hebben gedaan.

Ook de prentbijbels die worden tentoongesteld wilden bijdragen aan deze toegankelijkheid. Door de illustraties werden het Woord en de christelijke leer verspreid. De functie van die beelden is tweeledig: enerzijds maken zij de inhoud van de Bijbel toegankelijker, anderzijds dienen ze als aansporing tot het lezen ervan. Omdat de Bijbel vanwege de boekdrukkunst een steeds grote bereik vond, raakte ook het grote publiek vertrouwd met de prenten die men thuis kon bekijken.

De visie van Erasmus op het toegankelijk maken van de Bijbel, stelt de expositie ook in het juiste licht. De bijbels die hier tentoongesteld worden zijn met goede reden museumstukken. Het geldt evengoed van de prachtige Goudse Glazen. De inhoud waarnaar de bijbels, de bijbelse prenten en de Goudse Glazen verwijzen, hoort echter niet in een museum. Bijbels, prenten en glazen verwijzen naar een levende werkelijkheid. Een levend woord. Niet voor niets komt in deze kerk wekelijks een christelijke gemeente samen om naar de uitleg en verkondiging van die woorden uit de Bijbel te luisteren. Jonge mensen laten zich door die woorden in beweging zetten om het geloof te belijden. Mensen putten troost uit de woorden van de psalmen die we zingen. Gemeenteleden weten zich erdoor geroepen om dagelijks Jezus te volgen.

Kortom: de inhoud van de Bijbel is een levend woord. Omdat door de woorden die eeuwenlang geleden werden opgetekend, God zich tot ons richt. Hij is de levende die onze levensweg verlicht. De dichter van Psalm 119 zei het ooit zo: “Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht op mijn pad.”

Ik hoop dat als bezoekers de zorg zien waarmee deze Bijbels zijn gemaakt… De vaardigheid waarmee deze prenten zijn getekend… De kunstzinnigheid waarmee de Goudse Glazen zijn vervaardigd… Dat ze beseffen: hier zit liefde achter. Liefde tot het levende Woord. Liefde tot God.

Ik wil afsluiten met een gedicht van Muus Jacobse.

De woorden

God sprak met Adam
Op de avondwind,
Gaf aan de woorden
Dat ze zijn te horen
Adem van de wind.

God sprak met Mozes
Op de berg Horeb,
Gaf aan de woorden
Dat ze zijn te lezen
Tekens op de steen.

God sprak met Jezus
In zijn vlees en bloed,
Gaf aan de woorden
Dat ze zijn te eten
Leven uit de dood.

Laat ons dan horen
Woorden uit de winden,
Laat ons dan lezen
Tekens van de stenen,
Laat ons dan eten
Leven uit de dood.

 

De reddende blik

Meditatie gehouden in de stille week, Sint Jan Gouda.
Lezing uit de Bijbel: Lukas 22:54-71, kern: 61-62.

 

Jezus keert zich om en kijkt Petrus aan.
Dit is een wel heel geladen moment in de lijdensgeschiedenis.
Net hiervoor heeft Petrus tot drie keer toe gezegd dat hij Jezus niet kent.
Haast terloops verloochent Petrus zijn Redder.
En dan, na de derde keer, draait Jezus zich naar Petrus toe.
Hoe zal Hij hebben gekeken?
Woedend? Hoe héb je dit kunnen doen…
Teleurgesteld? Van jou had ik anders verwacht…
Gekwetst? Jij ook al…
Of toch begripvol? Petrus, zie je het nu – Ik hád het toch al gezegd…

Vanuit dit gedeelte krijg je daar allemaal geen duidelijkheid over.
Kennelijk is vooral belangrijk dát Jezus het doet.
Jezus trekt zich niet terug in zijn lijden.
Ook op dit moment houdt Hij de Zijnen in het oog.

Kort hiervoor, een paar uur geleden nog maar, had Christus gezegd: Petrus, de satan zal proberen je te ziften als tarwe, maar Ik heb gebeden dat je geloof niet zou ophouden.
Woorden die zondag ook tegen de belijdeniscatechisanten klonken.
Dat eerste lijkt wel te kloppen.
De satan probeert Petrus op de zeef te leggen.
En hij lijkt het zomaar te winnen als Petrus Jezus verloochent.
Maar hij zit het met het tweede stukje?
“Petrus, Ik heb gebeden dat je zou blijven geloven.”
Daar blijkt hier dan toch weinig van?
Petrus valt hier toch van zijn geloof af?

Ja, zo lijkt het.
Maar Petrus is omringd door het gebed van Christus.
Ik heb voor jou gebeden, en Ik bid voor je, ook op dit moment.
Christus houdt het vol met mensen die Hem laten zitten.
Onvoorstelbaar groot: als wij ontrouw zijn, blijft Hij trouw.
Omringd door het gebed van Christus – veiliger kun je niet zijn.

Tegelijk brengt de blik van Christus Petrus ook tot inkeer.
Opeens herinnert hij zich de woorden van Christus weer.
Eer de haan kraait, zul je mij driemaal verloochenen.
En zo ziet Petrus in het zwijgende gezicht van Christus zijn eigen tekort.
Ik heb gezondigd.
Petrus sluipt weg, weg naar buiten.
En hij huilt bitter.
Tranen van spijt, van diep berouw over wat hij heeft gedaan.

Het evangelie van Christus is eerlijk.
Ontmaskerend.
Ook voor ons.
Probeer het je in te denken dat je oog in oog met Jezus staat.
Dat Hij naar je kijkt.
Je leven is voor Hem als een open boek.
Wat doet dat met je?
Maakt het je trots?
Tevreden over wat je aan Hem kunt laten zien?
Of brengt het je op de knieën?
Maakt het je klein, ootmoedig.
“Heere, ik heb gezondigd, in woorden, werken en gedachten..
Erbarme dich, ontferm U Heere!”

Ik las in de afgelopen dagen opnieuw de roman Stilte, van de Japanse schrijver Shusaku Endo.
Het gaat ook in dat boek over verloochening.
Het verhaal speelt zich af in Japan, waar in de 17e eeuw een periode van heftige christenvervolging was.
De hoofdpersoon van het boek is de missionaris pater Rodrigues.
En ook hij wordt gevangen genomen.
Er wordt druk op hem uitgeoefend om het geloof los te laten, maar lange tijd is hij standvastig.
Hij weigert het geloof te verloochenen.
Toch komt er langzaam maar zeker een wending in zijn standvastigheid.
In de eenzaamheid van zijn cel wankelt zijn vastberadenheid hoe langer hoe meer.
De climax vormt het moment dat in de gevangenis vijf christenen worden gemarteld.
Ze zullen alleen worden bevrijd als Rodrigues zijn geloof afzweert.
Een gruwelijk dilemma.

Om mensen het geloof openlijk te laten afzweren, is een houten plank gemaakt met daarop een bronzen plaatje met het gezicht van Christus.
Iemand die het geloof wil afzweren, hoeft alleen zijn voet op het gezicht van Christus zetten.

“De Man op de plank, versleten en uitgehold, doordat zo velen op hem getrapt hadden, staarde de priester met droeve blik aan. Het was net of er een traan uit zijn ogen rolde. (…)
De priester hief zijn voet op. Hij voelde een doffe, zware pijn in die voet. Het was niet louter een formaliteit. Hij zou nu trappen op wat hij als het mooiste in zijn leven had beschouwd, het allerheiligste waarin hij had geloofd. (…)
Op dat ogenblik sprake de man op de koperen plaat tegen de priester:
Trap maar. Trap maar. Ik ken de pijn in je voet het allerbeste. Trap maar. Ik ben in deze wereld geboren om door jullie vertrapt te worden. Om in jullie pijn te delen heb ik het kruis op mijn rug gedragen.”
En, zo eindigt de passage: “De ochtend brak aan toen de priester zijn voet op de plank zetten. In de verte kraaide een haan.” (blz. 205)

Christus draait zich naar je toe, ook vanavond.
Zie zijn blik vol liefde.
Hij heeft zich vrijwillig laten vertrappen.
Hij heeft de verloochening gedragen.
Alles wat ik Hem heb aangedaan draagt Hij weg aan het kruis.

De haan heeft gekraaid.
Een nieuwe dag is aangebroken.

Lof zij Christus in eeuwigheid.

Het evangelie van Lukas – een inleiding

Het jaarthema van de Sint-Jansgemeente in Gouda is in het seizoen 2015-2016: ‘Mensen rondom Jezus. Over discipelschap’. In de bijbelkringen en in diensten gaan we met name in het evangelie van Lukas op zoek naar wat we over dit thema kunnen leren. images

Tijdens een introductie-avond op het jaarthema gaf ik een korte inleiding op het Lukasevangelie, met aandacht voor enkele hoofdthema’s uit dit evangelie. Je kunt de lezing hier nalezen: Het evangelie van Lukas – een inleiding

Pleidooi voor de leerdienst

Lezing gehouden bij de presentatie van Goed gelovig. Een thematische uitleg van de Heidelbergse Catechismus voor verkondiging en onderwijsCO8rtL9W8AEQPuV

 Amersfoort, 15 september 2015

Inleiding

Oepke Noordmans vertelt ergens[1] over een vrouw in een gemeente in Friesland, waar een predikant een in een catechismuspreek enkele vragen aan de orde stelde over de zondag uit de catechismus die aan de beurt was. Deze vrouw meende uit de mond van de predikant kritiek op het leerboek uit Heidelberg te horen. Daarom stond ze op, klapte haar vouwstoeltje dicht en verliet he kerkgebouw, terwijl ze aan haar verontwaardiging uiting gaf door te zeggen – en neemt u me niet kwalijk dat ik het in het Nederlands zeg – : “Ze moeten niet aan de catechismus komen.”

Noordmans hield zijn lezing in 1910. Ruim honderd jaar later kom ik vrijwel nooit meer mensen tegen die zo enthousiast zijn over de catechismus. Zeker, ze zijn er nog. Bijvoorbeeld in de redactie van Goed Gelovig. Maar voor velen is de Catechismus dan wel een van onze belijdenisgeschriften is, maar verder niet echt een levend document.
Als redactie beseffen we heel goed in welke context we staan. Het boek dat we vandaag op tafel leggen, wordt gedragen door de overtuiging dat de gereformeerde traditie en haar belijden, zoals verwoord in de HC, een rijke spirituele inhoud heeft. Maar we gaan er niet als vanzelfsprekend vanuit dat iedereen die bijzondere inhoud ook zo zal ervaren. Een leidende vraag door het hele boek heen, is die hoe we het goud van de traditie zó verbinden met de leefwereld van de hoorders van vandaag dat zij echt leiding ontvangen in hun geloof.
In het vervolg van deze korte inleiding wil ik drie dingen zeggen. Allereerst iets over het begrip ‘lerende gemeente’, vervolgens enkele opmerkingen over de plaats van de leerdienst en als derde ook iets over het belang van beleid.

  1. Een lerende gemeente

Ons handboek staat in de lijn van de gereformeerde traditie. Deze traditie is ervan overtuigd geraakt dat de doorwerking en de vertolking van de kernpunten van de Reformatie belangrijk is, tot op vandaag. Een van de herontdekkingen van de Reformatie was dat de gemeente principieel een lerende gemeente is.

De christelijke gemeente staat wat dit leren betreft op de schouders van het oude Israël waar het onderwijs in de Thora, de overdracht van de ene generatie op de andere, een belangrijke plaats innam. De kerk dankt op dit punt veel aan de synagoge, het leerhuis bij uitstek in de dagen van Jezus en de apostelen.
Leren is één van de basisfuncties van de christelijke gemeente. Een gemeente die niet leert, verleert het om te gemeente te zijn. Van de christelijke gemeente die in Jeruzalem ontstaat na het Pinksterfeest, lezen we dat ze bleef volharden in de leer der apostelen (Hand. 2:42). Op de eerste fase van de missionaire verkondiging volgt de opbouw van de gemeente door middel van een nadere ontvouwing van de heilsboodschap. Met name de brieven van de apostelen dragen het karakter van onderwijzing in de ‘gezonde leer’ (1 Tim. 1:10.).
Een mooie samenvatting van waar het bij het leren in de context van de christelijke gemeente over gaat, vinden we in Efeze 4:20. Het gaat daar over ‘Christus leren’. En daarmee wordt direct duidelijk dat leren in de christelijke gemeente van een bijzondere aard is. Het gaat om Christus, de levende. ‘Hem leren’ wil zeggen Hem leren kennen, volgen, vertrouwen, gehoorzamen. Kortom: leren wat het betekent om in leven en sterven het eigendom van Christus te zijn, zoals dat in Zondag 1 van de HC wordt verwoord.

Voor dit leren put ons boek primair uit de Heilige Schrift als bron en norm voor ons geloof. Dr. Wim Verboom schrijft in de inleiding van Goed Gelovig:

“We willen vóór alles dat de gemeente in de leerdienst luisteroefeningen naar de Schrift verricht. Daarbij zoeken we bewust aansluiting bij de Heidelbergse Catechismus als het klassiek-gereformeerd leerboek van de gemeente. Deze vormt naar onze overtuiging voor geloof en kerk-zijn vandaag nog steeds een betrouwbare gids. Juist omdat hij voortdurend verwijst naar de Schrift. Tegelijk reikt de Schrift ook thema’s aan die in de HC zelf niet worden uitgewerkt. Daar is niets mis mee. We zijn geen slaven van de HC, maar leerlingen. We ontvangen de ruimte om te zoeken naar prioriteiten voor het geloof vandaag en ook om eigen accenten te leggen. (…) Het verlangen om te zoeken naar de relevantie van de kernen van het christelijk geloof voor vandaag, loopt als een rode draad door heel de postille heen.” (blz. 13)

  1. De plaats van de leerdienst

In de context van de christelijke gemeente wordt op veel terreinen geleerd. Binnen catechese, kringen, Alphacursussen . Maar een bijzondere schakel in de lerende gemeente wordt gevormd door de eredienst. Wanneer de christelijke gemeente op zondag samenkomt, viert zij het heil dat haar verkondigd wordt. Dit vieren is echter ook iets dat geleerd moet worden. Met de woorden van Van Ruler: de gemeente moet er in wegwijs gemaakt worden. Dat is het werk van de Heilige Geest. Vieren en leren vormen dus ook geen tegenstelling. Het vieren van het heil is het doel van de leerweg die we als gemeente in de eredienst telkens opnieuw gaan. [2]
De traditie van de tweede dienst als leerdienst stamt uit de zestiende eeuw. Ze is vervlochten met de ontdekking van de Reformatie dat ieder gemeentelid leerling van de schriften is en dat ook levenslang blijft. De afgelopen decennia is in de protestantste kerken een afname van de praktijk van de tweede dienst waar te nemen, en dus ook van de leerdienst. De vraag ligt dus voor de hand of er nog wel toekomst is voor de leerdienst. Een uitgever zou zich de vraag kunnen stellen: is er wel markt voor een boek over de leerdienst?
Je kunt het toch ook bij één zondagse dienst houden en op door-de-weekse kringen aan studieuze vorming werken, bijvoorbeeld met een leerhuis of studiekring? Ja, dat zou kunnen. Maar in de praktijk blijkt echter dat je voor zulke activiteiten maar een klein groepje mensen op de been krijgt. Ds. Wim Markus, één van de andere redactieleden, zei onlangs in een interview in de Nieuwe Koers:

“Ook al zou het lukken om midden in de week groepsgewijs te werken aan kennisoverdracht, blijft mijn sterke voorkeur uitgaan naar de setting van een eredienst, waarin leren en vieren samengaan. Het dogma gaat al zingend, lovende en aanbidden leven in je ziel. Zo ‘werkt’ de liturgie en dat vind ik te waardevol om prijs te geven.”[3]

In Goed Gelovig worden handvatten aangereikt om de kwaliteit van de leerdienst te verbeteren. Het is een uitdaging om de middagdienst zó vorm te geven, dat mensen gaan beseffen: als ik daar niet ben, mis ik iets.
Het is duidelijk dat het houden van leerdiensten in onze tijd niet vanzelf spreekt. Tegelijkertijd was het voor mij als predikant in Gouda bijzonder om tijdens de voorbereiding van deze lezing een verre voorganger op het spoor te komen: Herman Herbertsz. Aan het einde van de 16e eeuw was hij predikant in Gouda, en zijn naam is dan ook te vinden op één van de predikantenborden in de Goudse Sint Jan. Deze naam van deze predikant is vooral bekend geworden omdat hij stelselmatig weigerde gehoor te geven aan de landelijk ingevoerde verplichting om catechismuspreken te houden. Hij was niet de enige trouwens: eindeloos is de reeks van klachten over de nalatigheid om de Catechismusdienst op zondagmiddag te houden.
De tijd van zulke verplichtingen vanuit de synode is voorbij. Het boek dat we vandaag neerleggen is geen dictaat. Maar in deze publicatie klopt een hart voor het goed recht, ja voor de rijkdom van de leerdienst. Het is onze hoop dat wie met dit boek aan het werk gaat, geholpen wordt om oude en nieuwe schatten op te delven.

  1. Beleid

Goed Gelovig is een pleidooi voor de leerdienst. Het lijkt me daarbij belangrijk dat de plaats van de leerdienst in de gemeente niet afhankelijk is van de predikant. Het kan dan zomaar zo zijn, dat een kerkenraad zegt: “Toen dominee A er was, waren en ‘s middags leerdiensten, toen dominee B er was, waren ze er niet en nu dominee C is gekomen zijn we weer begonnen.”
Wat zou het goed zijn wanneer kerkenraden, samen met de predikant, nadenken over een integrale visie op leren ontwikkelen. Hoe hangen de verschillende leeractiviteiten met elkaar samen: kindercatechese, tienercatechese, clubs, bijbelkringen, erediensten. Zijn het losstaande onderdelen, of worden ze gedragen door een gezamenlijke visie op leren? En zou het ook mogelijk zijn om als gemeente echt samen te leren? Intergeneratief. Oud en jong.
Deze integrale visie op het leren van de gemeente is naar mijn idee niet alleen belangrijk voor gemeentes waar op zondag twee diensten zijn. Ook waar op zondag één dienst wordt gehouden, is bezinning op de lerende gemeente belangrijk. Is het misschien mogelijk om met gebruikmaking van dit boek een themakring op te starten? Of lenen sommige thema’s zich ook voor behandeling in de morgendiensten. En, last but not least, waarom zou een gemeente het niet gewoon eens proberen, om af en toe een middagdienst met een eigen karakter te organiseren?
Ik moest denken aan de post die prof. Gijsbert van den Brink, ook één van de scribenten, op 27 april op Facebook plaatste.

“Gisteravond voorgegaan in de kleine hervormde gemeente van Kortenhoef, die daarmee voor het eerst sinds een jaar of 40 weer een avonddienst beleefde. Nadat ik er begin dit jaar een keer ’s morgens voorgegaan was, vroeg men of ik later dit jaar nog eens terug kon komen. Ik bekeek toen m’n agenda en zag dat ik alleen nog wat zondagavonden beschikbaar had. Maar dan hoefde het niet, dan hadden ze geen diensten… Een paar dagen later kreeg ik echter een email van de scriba. Ze hadden het er nog eens over gehad met elkaar, en of ik dan toch maar een keer op een zondagavond naar keuze wilde komen, dan belegden ze gewoon een extra dienst. Nu, gister was het zover. Ze hadden ook de buurgemeente ’s Graveland uitgenodigd (die ook geen avonddiensten meer kent), en al met al waren we met meer dan 40 mensen. Ik heb heerlijk ouderwets uit de Heidelbergse Catechismus gepreekt, gewoon zondag 1… Ze vonden het allemaal mooi geloof ik, en ik vond het in elk geval een prachtig tegendraads en tegencultureel gebeuren: een gemeente die nu eens geen kerkdiensten afschaft vanwege tanende belangstelling maar ondanks haar kleine omvang gewoon maar weer eens voorzichtig aan avonddiensten begint!”

Waarvan acte.

[1] P. Noordmans, Verzamelde werken, deel I, Kampen 1978, 111.

[2] Jos de Kock, Wim Verboom e.a., Altijd leerling, Zoetermeer 2012, 280.

[3] De nieuwe Koers, september 2015, 43.

Verschijning van ‘Goed Gelovig’

Omslag Goed gelovig compleet (2)

Het is zover! Vanmiddag is ‘Goed gelovig’ naar de drukker gegaan. Het is een kloek (leuk om dat woord eens te kunnen gebruiken) boek van 736 bladzijden geworden. In de afgelopen drie jaar hebben we er met een kleine redactie, geholpen door heel wat medewerkers, hard aan gewerkt.

De volledige titel is ‘Goed gelovig. Een thematische uitleg van de Heidelbergse Catechismus voor verkondiging en onderwijs’. Het gaat om een handboek dat predikanten helpt bij de voorbereiding van leerdiensten, maar het boek is ook te gebruiken door gemeenteleden die betrokken zijn bij catechese en jongerenwerk. En je kunt het natuurlijk ook gewoon lezen uit persoonlijke interesse. Hoofdthema’s die behandeld worden zijn bijvoorbeeld:

– Houvast vinden
– Wie ben ik?
– Gods verlossingsplan
– Is God er wel?
– Hoe het begon
– Gods goedheid en het lijden
– God de Zoon en onze redding
– Levenskunst
– De Heilige Geest en onze geest

Deze hoofdthema’s (in totaal 17) worden weer uitgewerkt in deelthema’s. Bij het thema ‘Gods goedheid en het lijden’ zijn dat bijvoorbeeld:
* De eeuwige Vader ook mijn Vader
* Zijn vaderhanden
* Hoe almachtig?
* Bidden helpt… of niet?
* Alles doen medewerken ten goede

Op 15 september wordt het boek gepresenteerd tijdens een studiemiddag in de Bergkerk te Amersfoort,die gratis toegankelijk is. Meer informatie via deze link.

Onder vreemden

Onder vreemdeniboih-zonsopgang

Het speelt het liefste ver weg op het strand,
het kind dat nooit zijn eigen vader ziet,
die overzee is in dat andere land.

Het woont bij vreemden en het went er niet.
Zij fluisteren erover met elkaar.
Heimwee huist in zijn kleren en zijn haar.

En altijd denkt het dat hij komen zal:
vandaag niet meer; maar morgen, onverwacht –
en droomt van hem en roept hem in de nacht.

Ik wacht u, Vader van de overwal.

Het kind dat in dit gedicht van Ida Gerhardt wordt opgevoerd, woont bij vreemden. Vader is ergens anders, het kind kon niet mee. En zeker, het kind wordt goed verzorgd, maar het kan niet wennen. Het voelt zich niet thuis en zondert zich af. Op een aangrijpende manier tekent Gerhardt het heimwee. Dag en nacht, tot in zijn dromen toe, verlangt het kind naar vader. Het slotvers staat helemaal alleen. Het onderwerp verandert dan ook: van het kind springt het opeens over naar “ik”. En vader krijgt een hoofdletter.

Ida Gerhardt was goed bekend met de psalmen. Samen met Marie van der Zeyde heeft ze een prachtige vertaling van het Psalmenboek gemaakt. Daarom moest ik bij dit gedicht denken aan die woorden uit Psalm 119: “Ik ben een vreemdeling op aarde.” De notie dat christenen vreemdelingen zijn, kom je ook in het Nieuwe Testament voortdurend tegen. Het is een belangrijk thema in de eerste Petrusbrief, en de Hebreeënschrijver typeert de gelovigen in de tijd van het oude verbond als vreemdelingen en bijwoners, die een vaderland zochten. (Hebr. 11:13,14).

Bij het nadenken over dit gedicht en over de teksten in de Bijbel over vreemdelingschap, vroeg ik me af in hoeverre dit thema ook in mijn eigen leven een rol speelt. Bij vreemdelingen denk ik aan mensen die door oorlogsgeweld alles moesten achterlaten. Mensen die hunkeren naar het moment dat het vrede is en ze kunnen terugkeren naar huis.  Wij, vreemdelingen? Mensen die ergens anders thuis zijn? En die verlangen naar het moment van de hereniging?

Vreemdelingschap wordt in het Nieuwe Testament nauw verbonden met de doop. Door de doop hebben we het oude leven achter ons gelaten. We zijn verbonden met Christus en delen daarom nu al in het nieuwe leven. “We zijn wedergeboren tot een levende hoop.” (1 Petrus 1:3). Ons leven is voorgoed verbonden met Christus, voor wie zelf in deze wereld geen plaats was. Die zelfs geen plaats had om zijn hoofd neer te leggen die uiteindelijk werd teruggedrongen op een kruis. Ons leven is voorgoed verbonden met Christus, die is opgestaan uit het graf. En die ons belooft dat we eenmaal zijn mogen waar Hij is.

We zijn vreemdelingen. Door de verkondiging van Jezus Christus wordt het ons te binnen gebracht. Hij zegt: “Wees niet gearriveerd, want je bent op doorreis. Laat je het heimwee niet ontnemen.”

“Ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij de Redder verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus.” (Fil. 3:20)

 

(Meditatie voor het Protestants Kerknieuws Gouda, nummer 8, 24 april 2015)